De Groene Amsterdammer van 23-02-2002
Justitie onderzoekt drie aangiften tegen
Fortuyn
Dertig jaar na de rassenrellen rond het Afrikaanderplein
staat Rotterdam weer volop in de schijnwerpers. Dit keer is het Pim Fortuyn als
aanvoerder van Leefbaar Rotterdam die aan de poorten van de multiculturele
Maasstad klopt.
René Zwaap
«Weet je wat Pims grootste complex is? Dat hij ooit met een gezelschap
werd opgehaald en dat hij pas in de tweede auto mocht plaats nemen.» Literator
Manuel Kneepkens, aanvoerder van de Rotterdamse Stadspartij, draait alvast warm
voor het eerste openbare treffen met zijn grote tegenstrever bij de
gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002: Pim Fortuyn, aanvoerder van het vers
opgerichte Leefbaar Rotterdam. Kneepkens, als criminoloog verbonden aan de
Erasmus Universiteit, kent Fortuyn al uit diens professorale tijd. «Ik heb
altijd kunnen tegenhouden dat hij zich binnen zou wurmen bij de Stadspartij»,
vertelt «de Kneep». «Toen we acht jaar geleden met onze partij begonnen,
voelde Fortuyn zich ook meteen geroepen als natuurlijk leider. Hij verkondigde
luid dat hij toch een stuk briljanter was dan mijn persoontje. Gelukkig bleven
de gelederen ten aanzien van hem gesloten en werd de lokroep uit de darkroom weerstaan.»
Anders ging dat met Leefbaar Rotterdam, de nieuwe lokale partij bij de
oprichting waarvan Kneepkens zelf vorig jaar ook betrokken was, nog voordat
Fortuyn in zicht kwam. Kneepkens zag aanvankelijk veel in de Leefbaar-formule.
Zijn Stadspartij zou zich omvormen tot Leefbaar Rotterdam en zo een Grote Sprong
Voorwaarts maken, naar het voorbeeld van Leefbaar Utrecht, waarvan de oprichter
Broos Schnetz in Rotterdam werd binnengehaald als campagneleider. Kneepkens:
«Als Stadspartij kwamen we niet boven de twee zetels. Als Leefbaar Rotterdam
zouden we dan eindelijk die grote klapper kunnen maken.» Toen het bestuur van
Leefbaar Nederland echter Pim Fortuyn naar voren schoof als lijsttrekker hield
Kneepkens het meteen voor gezien. «Het pact tussen Nagel en Fortuyn was het
bewijs voor de stelling dat de geschiedenis zich altijd herhaalt: de eerste keer
als tragedie, en één keer als parodie. Ik zie het monsterverbond tussen Nagel
en Fortuyn als een parodie op het Molotov-Von Ribbentrop-pact: twee natuurlijke
vijanden die de handen ineenslaan. Nagel gedreven door een immense rancune tegen
zijn oude PvdA-makkers, For tuyn door zijn tomeloze zelfaanbidding.»
Kneepkens zag met lede ogen aan hoe een deel van zijn partij overliep naar het
kamp der Leefbaren en tot overmaat van ramp Fortuyn ook nog eens uitverkoos tot
lijsttrekker. En Fortuyn bleef lijsttrekker, ook nadat vorige week de
breuk tussen Nagel en Fortuyn een feit was.
Campagneleider Schnetz trok zich na de scheiding tussen Fortuyn en Leefbaar
Nederland direct terug als campagneleider van Leefbaar Rotterdam. Twee andere
aspirant-politici van Leefbaar Rotterdam gingen ook onder protest weg, maar de
rest bleef. Volgens Kneepkens is het nog altijd niet uitgesloten dat er in een
later stadium gewoon weer een pact wordt gesloten tussen Leefbaar Rotterdam en
Leefbaar Nederland en de Lijst-Fortuyn — «Daar zie ik Nagel in ieder geval
wel voor aan». Volgens de peilingen is Leefbaar Rotterdam nu goed voor tien
zetels in de Rotterdamse gemeenteraad.
Alle dromen van Kneepkens waren in duigen gevallen. In een
eerder stadium had hij gehoopt dat André van der Louw, oud-burgervader van de
Maasstad, de kar van Leefbaar Rotterdam had willen trekken. Aanvankelijk leek
deze daar wel oren naar te hebben, maar uiteindelijk haakte hij af. Kneepkens:
«Van der Louw en Jan Nagel zijn goede vrienden, die gaan altijd samen naar
Italië. En zo is Van der Louw dus ook voor het karretje van Fortuyn gespannen.
Toen Fortuyn tot lijsttrekker van Leefbaar Nederland werd gekozen, zat Van der
Louw ook vooraan hard te klappen. Zie daar het trieste eindstation van wat ooit
Nieuw Links werd genoemd.»
Leefbaar Rotterdam, zo laat Kneepkens niet na te onderstrepen, belichaamt een
groot gevaar voor de Rotterdamse politieke cultuur. Kneepkens ziet het als zijn
grote taak de opmars van Fortuyn en de zijnen tegen te houden. «Zodat ik later
tegen mijn kinderen tenminste kan zeggen dat ik er iets tegen geprobeerd heb.»
Veel Rotterdammers vallen als een blok voor Fortuyn, heeft Kneepkens moeten
vaststellen. «Pim is onze eigen prins van de nacht, een soort
bezienswaardigheid. Hij is bovendien voortdurend op televisie, wat zijn
populariteit ook geen kwaad doet. Zijn xenofobische praatjes vallen hier helaas
ook maar al te goed. Daardoor is Rotterdam nu het epicentrum van de landelijke
politieke strijd geworden. Als Leefbaar Rotterdam hier op 6 maart een goed
resultaat boekt, is dat de ideale opmaat tot de kamerverkiezingen.»
Achter de schermen van het Rotterdamse stadhuis wordt hard gewerkt aan een
anti-Fortuyn-front, zo weet Kneepkens. PvdA-lijsttrekker Els Kuijper verkondigde
al dat ze weigert in discussie te gaan met Fortuyn, die zij afdoet als «extreem
rechts». Het is een gedragslijn die men wellicht zal trachten te slijten aan de
andere partijen, zoals vroeger werd gedaan in de strijd tegen Janmaat en zijn
Centrumdemocraten. Kneepkens voelt daar echter niets voor. «De opkomst van
Fortuyn is toch vooral de schuld van het paarse establishment. Daarom voel ik
niets voor een anti-Fortuyn-verbond. Alle partijen moeten het maar voor zichzelf
opknappen. In ieder geval gaan wij geen discussie met Fortuyn uit de weg.
Integendeel, directe confrontatie, niet al te zachtzinnig, is waarschijnlijk de
enige manier om hem wind uit de zeilen te nemen.»
Het is bovendien nog maar de vraag of Fortuyns radicale gedachtegoed wel zo geïsoleerd
is als wordt voorgedaan. Zo lijkt de Rotterdamse VVD inmiddels al behoorlijk
aangestoken met het leefbaarheidsvirus van de politieke xenofobie.
VVD-lijsttrekker Nico Janssen kwam in het Rotterdams Dagblad van zaterdag
16 februari nog met een felle aanval op Fortuyn. «Pim Fortuyn zet mensen tegen
elkaar op en daarmee wordt onze samenleving niet toleranter, dus niet
leefbaarder. Hij vergroot de angst onder de mensen en zaait haat. En in een stad
waar de angst groter wordt, vertrekken de investeerders. Dat betekent minder
werkgelegenheid. Het is vreselijk als mensen hun verantwoordelijkheid niet nemen
en er verbaal op los timmeren. Welvaart en onrust gaan niet samen.»
Dezelfde Janssen riep vorige week vrijdag bij de officïele
start van de VVD-campagne voor de raadsverkiezingen echter ook enthousiast dat
er «weer Nederlands moet worden gesproken in de straten van Rotterdam». Dit
geheel analoog aan de uitgangspunten van de Leefbaren, die ernaar streven de «etnische
monoculturen te breken, desnoods met dwang». Een milder verwoorde variant van
hetzelfde idee heeft inmiddels ook post gevat bij het CDA, waar leider
Balkenende verordonneert dat «de multiculturele samenleving niet iets is om
naar te streven». En ook bij de PvdA — die het minderhedenbeleid heeft
ingeruild voor het zogeheten «diversiteitsbeleid» — begint de roep om het
doorbreken van het «culturele isolement» van de minderheden steeds manifester
te worden. Formeel bindt men wel de strijd aan met de extreme denkbeelden van
Fortuyn — die bijvoorbeeld al eens heeft laten vallen dat tachtigduizend
allochtone Rotterdammers gedwongen moeten verhuizen ter bestrijding van
islamitische gettovorming — in werkelijkheid zit men ideologisch wel degelijk
op een soortgelijk traject. Het verschil zit hem slechts in de gebruikte
terminologie. De sociaal-democraten spreken liever van «diversiteitsbeleid»,
waarbij er geen etnische minderheden meer bestaan, maar een grote, dynamische,
kosmopolitische stadscultuur. In beide scenario’s gaat het uiteindelijk om het
slechten van barrières die men zelf met veertig jaar minderheden beleid heeft
gecreëerd.
Een pregnant voorbeeld van het «monoculturele» Rotterdam dat Leefbaar
Rotterdam wil slopen, is het gebied op en rond het Afrikaanderplein in
Rotterdam-Zuid. Dit hart van het oude Zuiden is de afgelopen decennia zeer rap
verturkt, zodanig dat velen al spreken van «Istanboel aan de Maas». De sporen
van de oorspronkelijke bewoners zijn zo goed als weggevaagd. De bunker van de
voormalige Johan van Oldenbarnevelt-scholengemeenschap biedt tegenwoordig
onderdak aan tal van Turkse organisaties. In de cafés waar vroeger de
havenwerkers van Zuid hun weekgeld kwamen opdrinken, worden tegenwoordig
broodjes dönner kebab geserveerd. De traditionele markt op het Afrikaanderplein
is een global village op zich, waar de geuren van de Kaapverdische
eilanden zich vermengen met die van Surinaamse toko’s en Turkse dadels.
Nederlands wordt hier inderdaad nauwelijks meer gesproken. Het is een wereld op
zich geworden, dit nieuwe Rotterdam. Hier heeft zich in nauwelijks drie decennia
een transformatie voorgedaan die kenmerkend mag heten voor de multiculturele
samenleving in Nederland.
Dertig jaar geleden was datzelfde Afrikaanderplein het
toneel van de eerste — en voorlopig laatste — «rassenrellen» van
Nederland. In de hete zomer van 1972 gaf havenwerker Jan Spruit hier de leiding
aan een ware volks opstand tegen de Turkse gastarbeiders in de Paarlstraat en
omgeving. Hun pensions werden bestormd, hun spullen stukgeslagen, het leek, zo
constateerde een verslaggever van Het Vrije Volk, «op de nazi-terreur
tijdens de Kristallnacht». Het was de eerste keer dat Nederlandse arbeiders
slaags raakten met buitenlandse arbeiders. «Het oproer bracht een schokgolf van
verontwaardiging teweeg die tot ver over de landsgrenzen voelbaar was», zo
schrijven de Amsterdamse journalisten Jurrien Dekker en Bas Sentius in hun boek De
tafel van Spruit: Een multiculturele safari in Rotterdam, dat verleden week
werd gepresenteerd. Dekker en Sentius schreven hun boek op verzoek van het
Rotterdamse gemeentebestuur, dat nog altijd met de gebeurtenissen van dertig
jaar geleden in de maag zit.
De verdienste van de studie is dat hier inzichtelijk wordt gemaakt welke
cruciale fouten zijn begaan bij de komst van wat toen nog werd omschreven als «gastarbeiders».
Als de Turken en Marokkanen in Nederland niet zijn geïntegreerd, is dat vooral
te wijten aan de weigerachtigheid van de autoriteiten om hun komst als
definitief te zien. De havenwerkgevers waren er bijvoorbeeld helemaal niet bij
gebaat als hun nieuwe krachten de Nederlandse taal machtig waren. Dan zouden ze
maar gaan zeuren over betere betalingen en secundaire arbeidsvoorwaarden. Hun
woonomstandigheden hoefden ook niet al te aantrekkelijk te worden gemaakt. Het
was uiteindelijk niet de bedoeling dat vrouw en kinderen overkwamen. De
Rotterdamse huisjesmelkers — vaak dezelfde koppelbazen die hun allochtone
personeel op de werkvloer als vee behandelden — verdienden kapitalen met hun
onhygiënische en brandgevaarlijke pensionnetjes. Hier werden de fundamenten
gelegd voor de existentiële achterstanden waarmee een groot deel van de
allochtone bevolking nog altijd kampt. De vooruitgang die deze groepen echter
ook hebben geboekt, werd bereikt op eigen kracht, binnen de zuil die zij uit
noodzaak creëerden, binnen de moskee, binnen het al snel gevormde getto waar de
autochtonen massaal vertrokken teneinde hun eigen getto’s te vormen, in de
nieuwbouwwijken verder in de polder van Rotterdam-Zuid.
Het «minderhedenbeleid» van de gemeente liep altijd ver achter de
ontwikkelingen aan, zo blijkt uit De tafel van Spruit. Men kon gewoonweg
niet overzien wat de reikwijdte was van de import van zoveel arbeiders uit den
vreemde en wist niet meer te bedenken dan een politiek van «pappen en nathouden».
Maatschappelijke onrust werd afgekocht met subsidies voor de organisaties die
zich opwierpen als spreekbuis van de gastarbeider, met wie men zelf maar geen
contact kon krijgen. Dertig jaar later wil Leefbaar Rotterdam in een klap een
einde maken aan dit langzaam gegroeide proces van gettovorming. De strijd van
havenwerker Jan Spruit — inmiddels overleden — is overgenomen door Pim
Fortuyn en zijn Leefbaar Rotterdam. Als ei van Columbus presenteren zij een
politiek van gedwongen relocatie: in naam van de strijd tegen de «islamisering
van Nederland» moeten de bewoners van het Afrikaanderplein nu gedwongen
versnipperen over de gehele stad, zodat ze tenminste snel «integreren». Op die
manier moet de droom van VVD-leider Janssen uitkomen en zal «er weer Nederlands
worden gesproken in de straten van Rotterdam».
Het lijkt donquichotterie van de bovenste plank, maar men
vergisse zich niet in de curieuze krachten die heden zijn losgekomen in politiek
Rotterdam. Er is sprake van een Nieuw Rotterdams Peil in de politieke cultuur.
Steeds meer wordt Rotterdam maatgevend en heeft het de positie van Amsterdam als
’s lands eerste sociaal-culturele laboratorium overgenomen. De Rotterdamse
school is van oudsher verankerd in law and order, en dat is tegenwoordig
precies de grote landelijke trend, of het nu gaat om wat Jan Marijnissen de «sm-economie»
van Ad Melkert noemt of het alom verkondigde «einde van het gedoogbeleid».
Rotterdam loopt voorop in deze Nieuwe Hardheid. Wethouder Sjaak van der Tak
kreeg begin deze maand complimentjes van minister Vermeend voor zijn krachtige
maatregelen om 3700 bijstandsuitkeringen met een pennenstreek te schrappen
vanwege vermoede malversaties. Dit soort «bestuurlijke dynamiek» valt ook zeer
goed bij Melkert, die helemaal gewonnen lijkt voor de harde lijn. Melkert
bewaart een speciaal plekje in zijn hart voor Rotterdam, en beroept zich ook
gaarne op de «zwijgende meerderheid» aldaar. Het voorstel om voortaan gratis
heroïne te verstrekken aan langdurig verslaafden pareerde hij dan ook met een
demagogische verwijzing naar de problemen met het drugstoerisme in Spangen. «Ga
maar eens aan de mensen daar vragen wat ze vinden van gratis heroïne», aldus
Melkert tijdens een debat met Paul Rosenmöller, die hij natuurlijk «softheid»
verweet.
Typerend voor het Nieuw Rotterdams Peil is de nieuwe maatregel voor criminele
drugsverslaafden. Die moeten voortaan in een speciaal ingerichte gevangenis in
Hoogvliet verplicht afkicken. Volgens de maatregel Strafrechtelijke Opvang van
Verslaafden kan de rechter aan langdurig verslaafden met een eveneens langdurige
criminele geschiedenis maximaal twee jaar cel opleggen, waar men dan «onder
drang» zal moeten afkicken. Dit arrangement is de vrucht van een speciaal plan
van het ministerie van Justitie en de gemeente Rotterdam, waarbij de gemeente
zorgdraagt voor de derde fase, waarin de cliënt terugkeert naar de reguliere
samenleving. Afgelopen maandag werd deze afspraak nog eens bekrachtigd met de
ondertekening van een speciaal convenant tussen het ministerie en het
gemeentebestuur. Dit soort paardenmiddelen liggen in Amsterdam nog altijd een
stuk moeilijker. In Rotterdam loopt men er meteen warm voor.
En zo is ook het stalinistische herbevolkingsprogramma van Leefbaar Rotterdam
lang niet zo kansloos als het op het eerste gezicht lijkt. De implicaties van
een en ander vormen wellicht wél de grootste bedreiging van de multiculturele
samenleving zoals die zich rond het Afrikaanderplein en elders heeft gevormd.
Een reprise van de «rassenrellen» van 1972 is dan verre van denkbeeldig.